Het
sikahert bewoont in 13 ondersoorten Oost-Azië van Noord-Japan tot
in Zuidoost-China, Taiwan en Vietnam. Het is een middelgroot hert met
een bruine pels met witte vlekken; de witte achter-delen hebben een zwarte
rand. De Dybowski ondersoort uit Siberië is de grootste variant.
Sikaherten komen in naaldbossen voor, maar geven de voo-rkeur aan gemengde
bossen met een ondergroei van struikgewas.
Het gewei heeft als regel 8 takken (hoewel
10- en zelfs 12-enders bekend zijn). De paartijd valt tussen eind september
en begin november. Bronstige mannetjes markeren hun territorium door
met hun gewei tegen struikgewas te slaan en langs boomschors te vegen,
waardoor schilschade ontstaat.
Met rivalen wordt strijd geleverd om de hinden en er worden harems gevormd.
Indien één of beide rivalen het gewei kwijt is, wordt
een geschil door boksen met de voorpoten in plaats van stoten met het
gewei beslecht.
Sikaherten zijn met succes hier en daar
ingevoerd (o.a. Ierland in 1860, Engeland, Frankrijk en Duitsland).