Ze
zorgen voor hun eigen voedsel, het rendiermos (een korstmos), dat ze zelfs
als er een dikke sneeuwlaag ligt weten te vinden. Het rendier leeft in
grote kuddes, tot soms wel duizenden dieren toe. Hierbij is de bepaling
van
de sociale rangorde belangrijk. Hiertoe dient mede het gewei; zowel mannetjes
als vrouwtjes zijn gewei-dragend. Het gewei van het vrouwtje is wat kleiner
en telt minder punten. Voor het mannetje geldt: hoe groter het gewei,
des te hoger staat hij op de maatschappelijke ladder.
Tijdens de bronsttijd zijn de volwassen mannetjes met hun grote geweien
de baas. Na de bronsttijd werpen de mannetjes het gewei af, vóór
de wijfjes, die daarmee de hogere status overnemen. Het kalf deelt de
status van zijn moeder. Het vrouwtje verliest haar gewei na de geboorte
van haar kalf in het voorjaar. In de winter wordt het gewei gebruikt,
samen met de hoeven, om sneeuw en ijs aan de kant te schuiven en bij het
voedsel te kunnen komen.
Het rendier vertoont jaarlijks trekgedrag en kan in de vroege herfst en
het voorjaar grote afstanden afleggen.
|
 |