| ELAND |
Van de herten is de eland (Engels : “Moose”) de grootste.
Karakteristiek zijn het opvallende schoffelgewei en de grote platte neus. Tot 1.000 jaar geleden was de eland in onze contreien nog inheems, echter door verandering van de leefomgeving (en overbejaging) is hij verdreven naar noordelijker streken. Daar vindt hij nog de uitgestrekte sompige bossen van zacht loofhout, altijd met water in de buurt. Hij eet zacht hout, takken en twijgen met sappige bast, en soms zelfs moeras- en waterplanten. De eland een goede zwemmer, mede door zijn lange benen en gespreide teenstand. Het mannetje leeft solitair en is een echte drifter. Echter, vanaf september als de bronsttijd begint, zoekt hij het gezel- schap van de vrouwtjes. Hij brult luidkeels (burlen) om de wijfjes te lokken en met zijn gewei stoot hij luid ruchtig tegen bomen. Elandenstieren kunnen in hevige gevechten verwikkeld raken met elkaar om de gunst van een wijfje. |
![]() |
|||||||||||
| Alces alces | |||||||||||||
|
|||||||||||||
|
|||||||||||||
Alleen
het mannetjes is gewei-dragend. Het gewei is schoffelvormig (vergelijk
het gewei met dat van het damhert), is tot wel 2 meter breed en kan zo’n
20 kg wegen. Het heeft tot 20 vertakkingen per stang. Het gewei wordt
elk jaar rond november / december afgeworpen. Rond april / mei komt het
nieuwe gewei op om in augustus volledig uitgegroeid te zijn. Na een week
of wat begint de eland met vegen. Een eenjarige stier heeft een spiesgewei met stangen tot 20 cm lengte. Het jaar daarna zijn de stangen gevorkt om vanaf het 3e jaar een schoffel-vormig gewei te worden. Eerst nog met 3-4 vertakkingen per stang, later met zo’n 20. Bij het 8e jaar is het gewei op zijn sterkst. |
|