Het dier heeft zich uitstekend aangepast
aan de leefomstandigheden op een hoogte van 3.700 tot 5.500 meter. Zijn
wollen vacht beschermt hem tegen wind en koude. In
rust maakt hij vaak gebruik van tot 30 cm. diepe holten in de bodem
waardoor hij gedeeltelijk uit de wind ligt. Een mannetje kan sneller
rennen dan wolven of wilde honden. Op volle snelheid zijn de hoorns
omhoog gericht. In de vroege ochtend en avond wordt gegraasd en gedronken
uit gletsjerbeken.
Mannetjes en vrouwtjes leven gedurende de zomer grotendeels apart. Tijdens
het parings seizoen in November – December worden harems gevormd
met zo’n 20 vrouwtjes. Deze worden door de mannetjes zwaar beconcurreerd,
niet zelden met fatale afloop. Vandaag de dag staat het dier onder strenge
bescherming.